warme drank gemaakt van gedroogde bladeren van de theeplant
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wil je een kopje thee?
• Ze drinkt elke ochtend groene thee.
een vloeibare drank gemaakt van geperste of uitgeknepen vruchten of groenten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze drinkt elke ochtend een glas sinaasappelsap.
• Vers geperst appelsap is veel lekkerder dan sap uit een pakje.
een alcoholische drank gemaakt van gefermenteerde druiven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze drinkt graag een glas rode wijn.
• Dit is een uitstekende wijn uit Bourgondië.
een alcoholische drank gemaakt van graan, hop en water
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Nederland is bekend om zijn bier.
• Hij bestelde een biertje in het café.
een witte voedzame vloeistof die door zoogdieren wordt geproduceerd om hun jongen te voeden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij drinkt elke ochtend een glas melk.
• Koeien geven melk.
een zoete lekkernij gemaakt van cacaobonen, suiker en melk
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze houdt van pure chocolade met een hoog cacaogehalte.
• Het chocoladegebak in die patisserie is heerlijk.
Examples:
• Wil je koffie of thee?
• Ze drinkt elke ochtend twee koppen koffie.