een ruimte of gebouw waar administratief of zakelijk werk wordt gedaan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij werkt drie dagen per week op kantoor.
• Het kantoor van het bedrijf is gevestigd in het centrum.
een tafel of meubel waaraan men werkt; ook: een kantoor of overheidsinstelling
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze werkt elke dag aan haar bureau.
• Het bureau voor statistiek publiceert jaarlijks nieuwe cijfers.
een bijeenkomst voor overleg of besluitvorming
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vergadering duurde drie uur.
• Ze ging naar de aandeelhoudersvergadering.
de uiterste datum of tijd waarop iets af moet zijn
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij werkte de hele nacht door om de deadline te halen.
• De deadline voor het project is vrijdagmiddag.
iemand die bij hetzelfde bedrijf of in hetzelfde beroep werkt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn collega helpt me altijd met moeilijke taken.
• Ze ging lunchen met haar collega's.
iemand die een team, bedrijf of afdeling leidt en beheert
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De manager leidde de vergadering.
• Ze werd bevorderd tot projectmanager.
de vaste periodieke beloning die een werknemer ontvangt voor zijn arbeid
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze onderhandelde over een hoger salaris.
• Zijn salaris wordt elke maand overgemaakt.
een verhoging van rang of functie; ook: reclame of het promoten van een product of dienst
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte promotie en werd manager.
• De winkel organiseerde een promotie met kortingen.
een formele bijeenkomst van experts of vertegenwoordigers om een onderwerp te bespreken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze nam deel aan een internationale conferentie over klimaat.
• De conferentie duurde drie dagen en trok honderden deelnemers.
het voorstellen of tonen van iets aan een publiek; een voordracht of demonstratie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Zij gaf een presentatie over klimaatverandering.
• De presentatie duurde een uur.
een elektronisch bericht dat via internet verstuurd wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze stuurde een e-mail naar haar collega met de nieuwe plannen.
• Heb je mijn e-mail al ontvangen?
een apparaat dat digitale documenten op papier afdrukt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De printer op kantoor is weer stuk.
• Ze stuurde het bestand naar de printer om het af te drukken.
een schematisch overzicht of plan met een tijdsindeling of structuur
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het werkschema werd aangepast door ziekte.
• Ze maakte een schema voor haar studie.
extra werk dat buiten de normale werktijden wordt verricht
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kreeg extra betaald voor het overwerk dat ze deze week had gedaan.
• Door de drukte voor de feestdagen moesten alle medewerkers overwerk doen.
een tijdelijk, doelgericht geheel van werkzaamheden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het bouwproject duurt twee jaar.
• Ze werkt aan een nieuw project voor school.
een organisatorische eenheid binnen een bedrijf of instelling die een specifieke taak heeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze werkt op de afdeling marketing.
• De afdeling klantenservice is geopend van negen tot vijf.
een kleine afgeschermde werkplek in een open kantoorruimte
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij werkt de hele dag in zijn kantoorhokje zonder ramen.
• De nieuwe medewerkers kregen elk een kantoorhokje op de tweede verdieping.
een kantoorapparaat waarmee je papieren aan elkaar vastmaakt met een metalen kram
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gebruikte de nietermachine om de rapporten samen te nieten.
• De nietermachine was leeg, dus moest hij nieuwe krammen kopen.
een wit schrijfbord waarop je met speciale stiften kunt schrijven en dat gemakkelijk uitgewist kan worden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De docent schreef de opdracht op het whiteboard.
• Tijdens de vergadering tekende hij het plan op het whiteboard.
een korte interne schriftelijke mededeling binnen een organisatie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De manager stuurde een memo naar alle medewerkers over de nieuwe werktijden.
• Ze schreef een memo om de vergadering van volgende week aan te kondigen.