een terrein met start- en landingsbanen en gebouwen voor vertrek en aankomst van vliegtuigen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De luchthaven van Amsterdam heet Schiphol.
• Het vliegtuig landde op de luchthaven.
een reis per vliegtuig; ook: het vluchten of vluchten voor gevaar
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vlucht naar New York duurt acht uur.
• Ze boekte een directe vlucht naar Barcelona.
Een klein kaartje; een toegangsbewijs of groetkaart
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kocht een kaartje voor het concert.
• Hij stuurde een verjaardagskaartje.
een officieel reisdocument dat de identiteit en nationaliteit van de houder bevestigt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Je hebt een geldig paspoort nodig om naar het buitenland te reizen.
• Zijn paspoort verliep vorig jaar en moet worden verlengd.
koffers en tassen die je meeneemt op reis
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Zijn bagage werd zoekgeraakt op het vliegveld.
• Ze had maar één koffer als handbagage.
een grote deur of ingang; ook: een toegangspoort
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze liepen door de stadspoort.
• De poort van het kasteel was geopend.
aan boord gaan van een vliegtuig, trein of bus
werkwoord
Examples:
• Passagiers mogen nu instappen via gate B12.
• Ze stapten in de trein net voordat de deuren sloten.
het weggaan of afreizen; ook: een kamer of ruimte in een gebouw
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het vertrek van de trein is om tien uur.
• Het huis heeft vijf vertrekken.
het aankomen op een bestemming; het moment van arriveren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De aankomst van de trein was vertraagd.
• Bij aankomst in het hotel kregen ze de sleutels van hun kamer.
overheidsinstantie die goederen controleert die een land binnenkomen of verlaten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bij de douane moesten we onze koffers openen voor inspectie.
• Hij werd tegengehouden door de douane omdat hij te veel alcohol bij zich had.
gebouw op een luchthaven waar passagiers inchecken en aan boord gaan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vlucht naar Barcelona vertrekt vanuit terminal 2.
• Na aankomst liepen we door de terminal naar de bagageband.
de toestand van vrij zijn van gevaar of risico
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De veiligheid van kinderen heeft prioriteit.
• Er zijn maatregelen getroffen voor de veiligheid.
iets later laten plaatsvinden of langzamer laten verlopen dan gepland
werkwoord
Examples:
• Slecht weer kan de vlucht met meerdere uren vertragen.
• De werkzaamheden aan het spoor vertraagden de treinen aanzienlijk.
een persoon die een vliegtuig bestuurt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De piloot landde het vliegtuig veilig.
• Ze droomde ervan om piloot te worden.
verharde strook op een vliegveld waarop vliegtuigen opstijgen en landen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het vliegtuig taxiede langzaam naar de landingsbaan.
• Door mist was de landingsbaan tijdelijk gesloten voor alle vluchten.
zich aanmelden bij een luchthavenloket of hotel om de aankomst of boeking te bevestigen
werkwoord
Examples:
• Passagiers kunnen online inchecken tot vierentwintig uur voor vertrek.
• We checkten in bij de receptie en kregen meteen onze kamersleutels.
onstuimige luchtstromingen die een vliegtuig schokkerig laten bewegen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het vliegtuig schudde hevig door de turbulentie boven de Atlantische Oceaan.
• De piloot vroeg de passagiers hun gordels vast te maken vanwege verwachte turbulentie.
een geplande onderbreking van een vlucht op een tussenliggende luchthaven, waarbij passagiers moeten wachten voor ze verder reizen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Onze vlucht naar Bangkok had een tussenstop van vier uur in Dubai.
• Ze maakten gebruik van de tussenstop om de stad even te verkennen.
een smal doorlooppad tussen rijen rekken of stoelen, zoals in een supermarkt of vliegtuig
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De pasta staat in het gangpad met Italiaanse producten.
• De stewardess liep door het gangpad om drankjes te serveren.