Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. At School

At School

Classroom items and school vocabulary

Basic
Everyday
leraar
/ˈleːraːr/

iemand die onderwijs geeft aan leerlingen op een school

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De leraar legt de stof duidelijk uit.

• Ze wil leraar wiskunde worden.

student
/ˈstyːdənt/

iemand die een hogere opleiding volgt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze is student geneeskunde in Amsterdam.

• De studenten protesteerden tegen het nieuwe beleid.

klaslokaal
/ˈklɑsloːkaːl/

een ruimte in een school waar lessen worden gegeven

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De leerlingen gaan na de pauze terug naar het klaslokaal.

• In het klaslokaal hangen kaarten en tekeningen aan de muur.

huiswerk
/ˈhœysʋərk/

schoolopdrachten die leerlingen thuis moeten maken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij maakte zijn huiswerk na het avondeten.

• Ze vergat haar huiswerk in te leveren.

examen
/ˈeːksaːmən/

een officiële toets waarbij kennis of vaardigheden worden beoordeeld

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij is geslaagd voor zijn rijexamen.

• Ze bereidt zich voor op het eindexamen.

leerboek
/ˈleːrbuːk/

een boek dat wordt gebruikt voor onderwijs en het leren van een bepaald vak

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het leerboek wiskunde bevat uitleg en oefeningen voor elk hoofdstuk.

• De leraar vroeg de leerlingen hun leerboek open te slaan op pagina 42.

schrift
/sxrɪft/

een gebonden of geniet boekje met lege of gelinieerde bladzijden, gebruikt om in te schrijven

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De leerlingen schrijven hun aantekeningen in een schrift.

• Ze kocht een nieuw schrift voor het wiskundeonderwijs.

potlood
/ˈpɔtloːt/

een schrijfgerei bestaande uit een houten stokje met een grafietkern, waarmee je kunt schrijven of tekenen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij schetste het portret met een potlood.

• Ze schrijft haar boodschappenlijstje altijd met een potlood zodat ze het kan uitwissen.

gum
/ɣʏm/

een klein stukje rubber waarmee je potloodstrepen van papier kunt wissen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze gebruikte de gum om de fout in haar tekening weg te halen.

• Heb jij toevallig een gum bij je? Ik heb me vergist.

liniaal
/liːniˈjaːl/

een plat, rechthoekig meetinstrument van plastic, hout of metaal waarmee je rechte lijnen kunt trekken en lengtes kunt meten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Met een liniaal trok hij een rechte lijn onder de titel.

• De liniaal geeft aan dat de muur precies dertig centimeter breed is.

rugzak
/ˈrʏɡzɑk/

een tas met twee schouderbanden die je op de rug draagt om spullen in mee te nemen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De kinderen dragen hun schoolboeken in een rugzak.

• Ze pakte haar rugzak in voor de wandeltocht van drie dagen.

schoolbord
/ˈsxoːlbɔrt/

een donker bord in een klaslokaal waarop met krijt geschreven wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De leraar schreef de som op het schoolbord.

• De leerlingen keken aandachtig naar het schoolbord.

klas
/klɑs/

een groep leerlingen die samen les krijgen; ook: het lokaal

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze zit in de derde klas van de middelbare school.

• Er zijn dertig kinderen in de klas.

les
/lɛs/

een instructie- of onderwijssessie over een bepaald onderwerp

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze geeft Nederlands les aan buitenlanders.

• De les begint om negen uur.

onderwerp
/ˈɔndɛrʋərp/

het thema of de zaak waarover iets gaat; ook: de grammaticale term voor de handelende persoon in een zin

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Wat is het onderwerp van jouw scriptie?

• Het onderwerp van de vergadering was de nieuwe strategie.

wiskunde
/ˈʋɪskʏndə/

de wetenschap die zich bezighoudt met getallen, vormen, ruimte en hun onderlinge relaties

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij is goed in wiskunde.

• Wiskunde is een verplicht vak op school.

wetenschap
/ˈʋeːtɛnsxɑp/

het systematisch verzamelen, ordenen en toetsen van kennis over de werkelijkheid

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De wetenschap heeft veel ontdekkingen gedaan.

• Ze studeert aan de universiteit voor een carrière in de wetenschap.

geschiedenis
/ˈxeːsxideːnɪs/

het geheel van gebeurtenissen in het verleden, of de studie daarvan

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze studeert geschiedenis aan de universiteit.

• De geschiedenis van Nederland is boeiend.

pauze
/ˈpʌuzə/

een korte onderbreking of rustpauze

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze namen een pauze na twee uur werken.

• De pauze duurde een kwartier.

directeur
/ˈdirɛktøːr/

de leidinggevende van een bedrijf, instelling of organisatie

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De directeur heeft de vergadering geopend.

• Ze werd benoemd tot directeur van het ziekenhuis.