iemand die onderwijs geeft aan leerlingen op een school
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De leraar legt de stof duidelijk uit.
• Ze wil leraar wiskunde worden.
iemand die een hogere opleiding volgt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze is student geneeskunde in Amsterdam.
• De studenten protesteerden tegen het nieuwe beleid.
een ruimte in een school waar lessen worden gegeven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De leerlingen gaan na de pauze terug naar het klaslokaal.
• In het klaslokaal hangen kaarten en tekeningen aan de muur.
schoolopdrachten die leerlingen thuis moeten maken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij maakte zijn huiswerk na het avondeten.
• Ze vergat haar huiswerk in te leveren.
een officiële toets waarbij kennis of vaardigheden worden beoordeeld
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij is geslaagd voor zijn rijexamen.
• Ze bereidt zich voor op het eindexamen.
een boek dat wordt gebruikt voor onderwijs en het leren van een bepaald vak
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het leerboek wiskunde bevat uitleg en oefeningen voor elk hoofdstuk.
• De leraar vroeg de leerlingen hun leerboek open te slaan op pagina 42.
een gebonden of geniet boekje met lege of gelinieerde bladzijden, gebruikt om in te schrijven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De leerlingen schrijven hun aantekeningen in een schrift.
• Ze kocht een nieuw schrift voor het wiskundeonderwijs.
een schrijfgerei bestaande uit een houten stokje met een grafietkern, waarmee je kunt schrijven of tekenen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij schetste het portret met een potlood.
• Ze schrijft haar boodschappenlijstje altijd met een potlood zodat ze het kan uitwissen.
een klein stukje rubber waarmee je potloodstrepen van papier kunt wissen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gebruikte de gum om de fout in haar tekening weg te halen.
• Heb jij toevallig een gum bij je? Ik heb me vergist.
een plat, rechthoekig meetinstrument van plastic, hout of metaal waarmee je rechte lijnen kunt trekken en lengtes kunt meten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Met een liniaal trok hij een rechte lijn onder de titel.
• De liniaal geeft aan dat de muur precies dertig centimeter breed is.
een tas met twee schouderbanden die je op de rug draagt om spullen in mee te nemen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen dragen hun schoolboeken in een rugzak.
• Ze pakte haar rugzak in voor de wandeltocht van drie dagen.
een donker bord in een klaslokaal waarop met krijt geschreven wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De leraar schreef de som op het schoolbord.
• De leerlingen keken aandachtig naar het schoolbord.
een groep leerlingen die samen les krijgen; ook: het lokaal
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze zit in de derde klas van de middelbare school.
• Er zijn dertig kinderen in de klas.
een instructie- of onderwijssessie over een bepaald onderwerp
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze geeft Nederlands les aan buitenlanders.
• De les begint om negen uur.
het thema of de zaak waarover iets gaat; ook: de grammaticale term voor de handelende persoon in een zin
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat is het onderwerp van jouw scriptie?
• Het onderwerp van de vergadering was de nieuwe strategie.
de wetenschap die zich bezighoudt met getallen, vormen, ruimte en hun onderlinge relaties
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij is goed in wiskunde.
• Wiskunde is een verplicht vak op school.
het systematisch verzamelen, ordenen en toetsen van kennis over de werkelijkheid
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De wetenschap heeft veel ontdekkingen gedaan.
• Ze studeert aan de universiteit voor een carrière in de wetenschap.
het geheel van gebeurtenissen in het verleden, of de studie daarvan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze studeert geschiedenis aan de universiteit.
• De geschiedenis van Nederland is boeiend.
een korte onderbreking of rustpauze
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze namen een pauze na twee uur werken.
• De pauze duurde een kwartier.
de leidinggevende van een bedrijf, instelling of organisatie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De directeur heeft de vergadering geopend.
• Ze werd benoemd tot directeur van het ziekenhuis.