een gedeelte van de rijbaan met witte strepen waarover voetgangers de weg kunnen oversteken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Kinderen leren op school dat je altijd het zebrapad moet gebruiken bij het oversteken.
• De automobilist moest afremmen omdat een voetganger het zebrapad opliep.
een verhoogd pad langs de rijbaan bedoeld voor voetgangers
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Fietsen op de stoep is niet toegestaan en gevaarlijk voor voetgangers.
• De kinderen speelden krijgertje op de stoep voor hun huis.
een constructie die een oversteek mogelijk maakt over water, een weg of een kloof
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze fietste over de brug naar het centrum.
• De brug over de rivier is gesloten voor onderhoud.
een financiële instelling die geld beheert; ook: een zitmeubel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze haalt geld op bij de bank.
• Ze zaten op de bank voor de televisie.
een gebouw of instelling voor medische behandeling van patiënten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze werd met spoed naar het ziekenhuis gebracht.
• Hij werkt als chirurg in een ziekenhuis.
Een plaats waar boeken, tijdschriften en andere materialen voor lezen en studeren beschikbaar zijn.
noun
Examples:
• Ze brengt elke zaterdag een bezoek aan de bibliotheek.
• De universiteitsbibliotheek heeft een uitgebreide collectie wetenschappelijke publicaties.
een openbaar groen terrein voor recreatie; ook een bedrijventerrein of parkeerplaats
zelfstandig naamwoord
Examples:
• We gingen picknicken in het park.
• Het park is overdag open.
een instelling die voorwerpen van culturele of historische waarde bewaart en tentoonstelt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het Rijksmuseum heeft een enorme collectie schilderijen.
• Ze gaan zaterdag naar een museum.
de overheidsinstantie belast met het handhaven van de openbare orde en het opsporen van misdrijven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft de politie gebeld na de inbraak.
• De politie is bezig met het onderzoek.
iemand die werkt bij de brandweer en branden bestrijdt en mensen redt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De brandweerman klom de ladder op om de bewoners te redden.
• Als kind wilde hij altijd al brandweerman worden.
een winkel waar geneesmiddelen op recept en vrij verkrijgbare medicijnen worden verkocht
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze haalde het voorgeschreven medicijn op bij de apotheek.
• De apotheek op de hoek is ook op zaterdagochtend open.
een gebouw waar je brieven en pakketten kunt versturen, ontvangen en postzegels kunt kopen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze stuurde het pakket op via het postkantoor in de buurt.
• Op het postkantoor kun je ook bepaalde overheidsdocumenten aanvragen.
een gebouw voor christelijke eredienst; ook de christelijke geloofsgemeenschap
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gaan elke zondag naar de kerk.
• De oude kerk staat midden in het dorp.
een voertuig stilzetten en achterlaten op een bepaalde plek
werkwoord
Examples:
• Het is lastig parkeren in het stadscentrum op zaterdagmiddag.
• Hij parkeerde de auto voor het supermarkt en liep naar binnen.
een lichtsignaal op een kruispunt dat het verkeer regelt met de kleuren rood, oranje en groen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bij het rode verkeerslicht moest hij wachten totdat het groen werd.
• Er was een storing in het verkeerslicht waardoor het verkeer vastliep.
een aangewezen plek langs de weg waar bussen stoppen om passagiers in en uit te laten stappen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze wachtte bij de bushalte op de lijn 12 naar het centrum.
• Bij de bushalte hangt een rooster met de vertrektijden.
een plek langs de weg waar je brandstof kunt tanken en soms ook snacks en dranken kunt kopen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij stopte bij het tankstation om brandstof te tanken voor de lange rit.
• Het tankstation aan de snelweg is dag en nacht open.
een machine waarbij je met een bankpas contant geld kunt opnemen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze haalde twintig euro op bij de geldautomaat voor het parkeergeld.
• De geldautomaat bij de supermarkt was buiten werking.
een decoratieve waterconstructie in een tuin of op een plein waaruit water omhoog spuit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op het marktplein staat een grote stenen fontein.
• Kinderen gooien muntjes in de fontein en doen een wens.
een driedimensionaal kunstwerk van een persoon of figuur, vaak te vinden op een plein of in een museum
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op het plein staat een standbeeld van de grondlegger van de stad.
• Het bronzen standbeeld werd onthuld ter herdenking van de gevallen soldaten.