een groot roofdier uit Afrika en Azië, bekend als de 'koning der dieren'
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De leeuw lag te slapen in de schaduw van een boom.
• De leeuw is het nationale symbool van Nederland.
een grote roofdierkat uit Azië met oranje vacht en zwarte strepen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De tijger sluipt door het hoge gras op zoek naar prooi.
• In het wild leven tijgers voornamelijk in India en Zuidoost-Azië.
het grootste landdier ter wereld met een lange slurf en grote oren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De olifant gebruikt zijn slurf om water op te zuigen.
• Een kudde olifanten trok door de savanne.
een groot, zwaar zoogdier met dik haar en korte staart dat in bossen en berggebieden leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De beer sliep de hele winter in zijn hol.
• In Yellowstone Park kun je wilde beren tegenkomen.
een wild roofdier uit de familie van de honden dat in roedels leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De wolf is teruggekeerd in de Nederlandse natuur.
• Wolven jagen samen als roedel op grote prooidieren.
een sierlijk wild zoogdier waarvan het mannetje een gewei draagt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het hert springt over de beek in het bos.
• We zagen een hert met een indrukwekkend gewei aan de bosrand staan.
een wild roofdier met een roodbruine vacht, puntige oren en een pluizige staart
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vos stal een kip uit de schuur.
• In de schemering zagen we een vos door het veld lopen.
een grote roofvogel met scherpe klauwen die hoog in de lucht zweeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De adelaar cirkelt hoog boven de bergen.
• Met zijn scherpe ogen spot de adelaar zijn prooi van grote hoogte.
een nachtelijke roofvogel met grote ogen en een stil vliegvermogen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De uil jaagt 's nachts op muizen.
• We hoorden een uil roepen vanuit het donkere bos.
het grootste zoogdier ter wereld dat in de oceaan leeft en ademt via een spuitgat
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De walvis springt hoog uit het water en duikt dan terug.
• Blauwe walvissen zijn de grootste dieren die ooit op aarde hebben geleefd.
een intelligent zeezoogdier dat bekendstaat om zijn speelsheid en het uitzenden van klikgeluiden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De dolfijn springt vrolijk naast het schip mee.
• Dolfijnen communiceren met elkaar via speciale klanken.
een groot roofdier in de zee met scherpe tanden en een driehoekige rugvin
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De haai cirkelt langzaam rond de duiker.
• Haaien ruiken bloed van grote afstand.
een langwerpig reptiel zonder poten dat zich voortbeweegt door te kronkelen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De slang gleed geruisloos door het hoge gras.
• In de tropen leven veel giftige slangen.
een groot reptiel met een schubbenlichaam en sterke kaken dat in tropische rivieren leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De krokodil ligt roerloos aan de oever van de rivier.
• Krokodillen kunnen zeer snel toehappen met hun krachtige kaken.
een primaat met een beweeglijk lichaam en handen waarmee het kan klimmen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De aap klom snel in de boom.
• In de dierentuin zagen we apen die met elkaar speelden.
het langste landdier ter wereld met een extreem lange nek en bruine vlekken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De giraf reikt moeiteloos naar de bladeren bovenin de boom.
• In de savanne zagen we een giraf langzaam lopen.
een Afrikaans dier dat verwant is aan het paard en een zwart-wit gestreept lichaam heeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Een kudde zebra's trekt over de Afrikaanse vlakte.
• Elke zebra heeft een uniek strepenpatroon.
een vogel die niet kan vliegen maar uitstekend kan zwemmen en leeft in koud klimaat
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De pinguïn waggelt over het ijs naar het water.
• Keizerspinguïns leven in de strenge kou van Antarctica.
de grootste mensaap ter wereld die in de regenwouden van Afrika leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De gorilla klopte op zijn borst om zijn kracht te tonen.
• Gorilla's leven in familiegroepen onder leiding van een grote mannetjesgorilla.
een grote, slanke roofkat met een gele vacht vol zwarte vlekken die in Afrika en Azië leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het luipaard klom met zijn prooi de boom in.
• Luipaarden zijn uitstekende klimmers en jagers.