Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Nature
  3. Wild Animals

Wild Animals

Wildlife from around the world

20 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Intermediate
Topic
Nature
Wild Animals

leeuw

/ˈleːʏʋ/

  1. een groot roofdier uit Afrika en Azië, bekend als de 'koning der dieren'

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De leeuw lag te slapen in de schaduw van een boom.
    • De leeuw is het nationale symbool van Nederland.

tijger

/ˈtɛi̯ɣər/

  1. een grote roofdierkat uit Azië met oranje vacht en zwarte strepen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De tijger sluipt door het hoge gras op zoek naar prooi.
    • In het wild leven tijgers voornamelijk in India en Zuidoost-Azië.

olifant

/ˈoːlifɑnt/

  1. het grootste landdier ter wereld met een lange slurf en grote oren

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De olifant gebruikt zijn slurf om water op te zuigen.
    • Een kudde olifanten trok door de savanne.

beer

/beːr/

  1. een groot, zwaar zoogdier met dik haar en korte staart dat in bossen en berggebieden leeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De beer sliep de hele winter in zijn hol.
    • In Yellowstone Park kun je wilde beren tegenkomen.

wolf

/wɔlf/

  1. een wild roofdier uit de familie van de honden dat in roedels leeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De wolf is teruggekeerd in de Nederlandse natuur.
    • Wolven jagen samen als roedel op grote prooidieren.

hert

/hɛrt/

  1. een sierlijk wild zoogdier waarvan het mannetje een gewei draagt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Het hert springt over de beek in het bos.
    • We zagen een hert met een indrukwekkend gewei aan de bosrand staan.

vos

/vɔs/

  1. een wild roofdier met een roodbruine vacht, puntige oren en een pluizige staart

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De vos stal een kip uit de schuur.
    • In de schemering zagen we een vos door het veld lopen.

adelaar

/ˈaːdəlaːr/

  1. een grote roofvogel met scherpe klauwen die hoog in de lucht zweeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De adelaar cirkelt hoog boven de bergen.
    • Met zijn scherpe ogen spot de adelaar zijn prooi van grote hoogte.

uil

/œy̯l/

  1. een nachtelijke roofvogel met grote ogen en een stil vliegvermogen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De uil jaagt 's nachts op muizen.
    • We hoorden een uil roepen vanuit het donkere bos.

walvis

/ˈʋɑlvɪs/

  1. het grootste zoogdier ter wereld dat in de oceaan leeft en ademt via een spuitgat

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De walvis springt hoog uit het water en duikt dan terug.
    • Blauwe walvissen zijn de grootste dieren die ooit op aarde hebben geleefd.

dolfijn

/dɔlˈfɛi̯n/

  1. een intelligent zeezoogdier dat bekendstaat om zijn speelsheid en het uitzenden van klikgeluiden

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De dolfijn springt vrolijk naast het schip mee.
    • Dolfijnen communiceren met elkaar via speciale klanken.

haai

/haːi̯/

  1. een groot roofdier in de zee met scherpe tanden en een driehoekige rugvin

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De haai cirkelt langzaam rond de duiker.
    • Haaien ruiken bloed van grote afstand.

slang

/slɑŋ/

  1. een langwerpig reptiel zonder poten dat zich voortbeweegt door te kronkelen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De slang gleed geruisloos door het hoge gras.
    • In de tropen leven veel giftige slangen.

krokodil

/ˌkroːkoːˈdɪl/

  1. een groot reptiel met een schubbenlichaam en sterke kaken dat in tropische rivieren leeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De krokodil ligt roerloos aan de oever van de rivier.
    • Krokodillen kunnen zeer snel toehappen met hun krachtige kaken.

aap

/aːp/

  1. een primaat met een beweeglijk lichaam en handen waarmee het kan klimmen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De aap klom snel in de boom.
    • In de dierentuin zagen we apen die met elkaar speelden.

giraf

/ɣiˈrɑf/

  1. het langste landdier ter wereld met een extreem lange nek en bruine vlekken

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De giraf reikt moeiteloos naar de bladeren bovenin de boom.
    • In de savanne zagen we een giraf langzaam lopen.

zebra

/ˈzeːbraː/

  1. een Afrikaans dier dat verwant is aan het paard en een zwart-wit gestreept lichaam heeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Een kudde zebra's trekt over de Afrikaanse vlakte.
    • Elke zebra heeft een uniek strepenpatroon.

pinguïn

/ˈpɪŋɡʏɪ̯n/

  1. een vogel die niet kan vliegen maar uitstekend kan zwemmen en leeft in koud klimaat

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De pinguïn waggelt over het ijs naar het water.
    • Keizerspinguïns leven in de strenge kou van Antarctica.

gorilla

/ɣoːˈrɪlaː/

  1. de grootste mensaap ter wereld die in de regenwouden van Afrika leeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De gorilla klopte op zijn borst om zijn kracht te tonen.
    • Gorilla's leven in familiegroepen onder leiding van een grote mannetjesgorilla.

luipaard

/ˈlœy̯paːrt/

  1. een grote, slanke roofkat met een gele vacht vol zwarte vlekken die in Afrika en Azië leeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Het luipaard klom met zijn prooi de boom in.
    • Luipaarden zijn uitstekende klimmers en jagers.