Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Nature
  3. Weather

Weather

Weather conditions and forecasting

Basic
Nature
zonnig
/ˈzɔnəx/

gekenmerkt door veel zonneschijn

bijvoeglijk naamwoord

Examples:

• Het was een zonnige dag en iedereen ging naar het strand.

• De kinderen speelden buiten in het zonnige weer.

regenachtig
/ˈreːɣənɑxtəx/

gekenmerkt door veel neerslag of regen

bijvoeglijk naamwoord

Examples:

• Op een regenachtige dag blijf ik het liefst thuis met een boek.

• Het regenachtige weer zorgde ervoor dat de wedstrijd werd afgelast.

bewolkt
/bəˈʋɔlkt/

bedekt met wolken, zodat weinig of geen zon zichtbaar is

bijvoeglijk naamwoord

Examples:

• De hemel was bewolkt en het leek alsof het zou gaan regenen.

• Het bewolkte weer maakte het moeilijk om te fotograferen.

winderig
/ˈʋɪndərəx/

gekenmerkt door sterke of harde wind

bijvoeglijk naamwoord

Examples:

• Op het winderige strand waaide mijn hoed van mijn hoofd.

• Het was zo winderig dat de bomen heen en weer bewogen.

storm
/stɔrm/

een hevige periode van wind en regen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Er komt morgen een zware storm aan.

• De storm veroorzaakte veel schade.

donder
/ˈdɔndər/

het luide rommelende geluid dat tijdens een onweersbui te horen is

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De donder deed de ramen trillen van het huis.

• Na de bliksemschicht hoorden we een luid gerommel van donder.

bliksem
/ˈblɪksəm/

elektrische ontlading in de atmosfeer die zichtbaar is als een felle lichtflits

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De bliksem sloeg in de hoge boom aan de rand van het bos.

• Je kunt de bliksem zien voordat je de donder hoort.

sneeuw
/ˈsneːʏʋ/

gevlokten neerslag in de vorm van ijskristallen die bij koud weer valt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De kinderen speelden in de sneeuw.

• Er wordt veel sneeuw verwacht deze winter.

mist
/mɪst/

een weersomstandigheid waarbij kleine waterdruppeltjes in de lucht zweven en het zicht sterk beperken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Er hangt dichte mist op de weg.

• Door de mist was het lastig rijden.

luchtvochtigheid
/ˈlʏxtˌvɔxtəxɦɛit/

de hoeveelheid waterdamp die in de lucht aanwezig is

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Door de hoge luchtvochtigheid voelde de warmte veel zwaarder aan.

• In de tropen is de luchtvochtigheid het hele jaar door erg hoog.

temperatuur
/ˈtɛmpeːraːtyːr/

de mate van warmte of koude, uitgedrukt in graden

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De temperatuur buiten is vijf graden.

• Ze meten de temperatuur van het water.

voorspelling
/ˈvoːrˌspɛlɪŋ/

een uitspraak over wat er in de toekomst zal gebeuren, in het bijzonder het weer

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Volgens de weersvoorspelling zou het morgen gaan regenen.

• De voorspelling van de meteoroloog klopte precies.

droogte
/ˈdroːxtə/

een langdurige periode met abnormaal weinig neerslag, waardoor watertekort ontstaat

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De ernstige droogte verwoestte de oogst van de boeren dit jaar.

• Door de langdurige droogte stond het meer bijna droog.

overstroming
/ˌoːvərˈstroːmɪŋ/

het onderlopen van normaal droog land door een overvloed aan water

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De overstroming na de hevige regenval verwoestte tientallen huizen.

• De bewoners werden geëvacueerd vanwege de naderende overstroming.

hagel
/ˈhaːɣəl/

neerslag in de vorm van kleine ijskorrels die uit wolken vallen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De hagel sloeg gaten in de voorruit van de auto.

• Tijdens het onweer viel er zware hagel op het dak.

briesje
/ˈbrisjə/

een lichte, zachte wind die aangenaam aanvoelt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Er waaide een aangenaam briesje langs het strand.

• Het briesje koelde ons af op de warme zomermiddag.

vorst
/vɔrst/

weersomstandigheid waarbij de temperatuur onder het vriespunt daalt en water bevriest

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Door de vorst was het wegdek 's ochtends spiegelglad.

• De vorst zorgde voor een prachtig ijslaagje op de bladeren.

regenboog
/ˈreːɣənboːx/

een boog van kleuren aan de hemel die ontstaat doordat zonlicht wordt gebroken door regendruppels

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Na de bui verscheen er een prachtige regenboog aan de hemel.

• De kinderen wezen opgewonden naar de regenboog boven de bergen.

tornado
/tɔrˈnaːdoː/

een hevig wervelende luchtzuil die zich van een onweerswolk naar de grond uitstrekt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De tornado verwoestte alles op zijn pad in enkele minuten.

• Bewoners vluchtten hun kelders in toen de tornado naderde.

paraplu
/ˌpaːraˈply/

een opvouwbaar voorwerp dat je boven je hoofd houdt om je te beschermen tegen regen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ik had mijn paraplu vergeten en werd kletsnat van de regen.

• Ze liep met een rode paraplu door de stortbui.