de mate van warmte of koude, uitgedrukt in graden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De temperatuur buiten is vijf graden.
• Ze meten de temperatuur van het water.
een hevige periode van wind en regen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er komt morgen een zware storm aan.
• De storm veroorzaakte veel schade.
het onderlopen van normaal droog land door een overvloed aan water
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De overstroming na de hevige regenval verwoestte tientallen huizen.
• De bewoners werden geëvacueerd vanwege de naderende overstroming.
een langdurige periode met abnormaal weinig neerslag, waardoor watertekort ontstaat
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ernstige droogte verwoestte de oogst van de boeren dit jaar.
• Door de langdurige droogte stond het meer bijna droog.
gekenmerkt door veel zonneschijn
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het was een zonnige dag en iedereen ging naar het strand.
• De kinderen speelden buiten in het zonnige weer.
gekenmerkt door veel neerslag of regen
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Op een regenachtige dag blijf ik het liefst thuis met een boek.
• Het regenachtige weer zorgde ervoor dat de wedstrijd werd afgelast.
bedekt met wolken, zodat weinig of geen zon zichtbaar is
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De hemel was bewolkt en het leek alsof het zou gaan regenen.
• Het bewolkte weer maakte het moeilijk om te fotograferen.
gekenmerkt door sterke of harde wind
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Op het winderige strand waaide mijn hoed van mijn hoofd.
• Het was zo winderig dat de bomen heen en weer bewogen.
het luide rommelende geluid dat tijdens een onweersbui te horen is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De donder deed de ramen trillen van het huis.
• Na de bliksemschicht hoorden we een luid gerommel van donder.
elektrische ontlading in de atmosfeer die zichtbaar is als een felle lichtflits
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De bliksem sloeg in de hoge boom aan de rand van het bos.
• Je kunt de bliksem zien voordat je de donder hoort.
gevlokten neerslag in de vorm van ijskristallen die bij koud weer valt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen speelden in de sneeuw.
• Er wordt veel sneeuw verwacht deze winter.
een weersomstandigheid waarbij kleine waterdruppeltjes in de lucht zweven en het zicht sterk beperken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er hangt dichte mist op de weg.
• Door de mist was het lastig rijden.
de hoeveelheid waterdamp die in de lucht aanwezig is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Door de hoge luchtvochtigheid voelde de warmte veel zwaarder aan.
• In de tropen is de luchtvochtigheid het hele jaar door erg hoog.
een uitspraak over wat er in de toekomst zal gebeuren, in het bijzonder het weer
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Volgens de weersvoorspelling zou het morgen gaan regenen.
• De voorspelling van de meteoroloog klopte precies.
neerslag in de vorm van kleine ijskorrels die uit wolken vallen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De hagel sloeg gaten in de voorruit van de auto.
• Tijdens het onweer viel er zware hagel op het dak.
een lichte, zachte wind die aangenaam aanvoelt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er waaide een aangenaam briesje langs het strand.
• Het briesje koelde ons af op de warme zomermiddag.
weersomstandigheid waarbij de temperatuur onder het vriespunt daalt en water bevriest
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Door de vorst was het wegdek 's ochtends spiegelglad.
• De vorst zorgde voor een prachtig ijslaagje op de bladeren.
een boog van kleuren aan de hemel die ontstaat doordat zonlicht wordt gebroken door regendruppels
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Na de bui verscheen er een prachtige regenboog aan de hemel.
• De kinderen wezen opgewonden naar de regenboog boven de bergen.
een hevig wervelende luchtzuil die zich van een onweerswolk naar de grond uitstrekt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De tornado verwoestte alles op zijn pad in enkele minuten.
• Bewoners vluchtten hun kelders in toen de tornado naderde.
een opvouwbaar voorwerp dat je boven je hoofd houdt om je te beschermen tegen regen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik had mijn paraplu vergeten en werd kletsnat van de regen.
• Ze liep met een rode paraplu door de stortbui.