het getal 0; niets, geen enkele eenheid
telwoord
Examples:
• De temperatuur daalde tot nul graden.
• De score stond nog steeds op nul.
het getal 1; één eenheid
telwoord
Examples:
• Er is maar één stoel in de kamer.
• Ze heeft één zus.
het getal dat volgt op één en voorafgaat aan drie
telwoord
Examples:
• Er staan twee stoelen aan de tafel.
• Ze heeft twee zussen en een broer.
het getal dat volgt op twee en voorafgaat aan vier
telwoord
Examples:
• Ze heeft drie katten.
• Het duurt nog drie dagen.
het getal dat volgt op drie en voorafgaat aan vijf
telwoord
Examples:
• Ze heeft vier broers.
• De vergadering duurt vier uur.
het getal dat volgt op vier en voorafgaat aan zes
telwoord
Examples:
• Ze heeft vijf honden.
• De vergadering begint om vijf uur.
het getal dat volgt op vijf en voorafgaat aan zeven
telwoord
Examples:
• Ze heeft zes neven en nichten.
• De vergadering duurt zes uur.
het getal 7
telwoord
Examples:
• Ze heeft zeven katten.
• De week heeft zeven dagen.
het getal 8
telwoord
Examples:
• Ze heeft acht broers en zussen.
• De trein heeft acht wagons.
het getal 9, tussen acht en tien
telwoord
Examples:
• Er zitten negen kinderen in de klas.
• De winkel sluit om negen uur 's avonds.
het getal 10, één meer dan negen
telwoord
Examples:
• Er zijn tien leerlingen in de klas.
• De wedstrijd begint om tien uur 's ochtends.
het getal 11, tien plus één
telwoord
Examples:
• Een voetbalteam heeft elf spelers.
• Ze is elf jaar oud.
het getal 12, elf plus één
telwoord
Examples:
• Er zijn twaalf maanden in een jaar.
• Ze is twaalf jaar oud.
het getal 13, drie meer dan tien
telwoord
Examples:
• Er zijn dertien spelers in het team.
• Ze woont op huisnummer dertien.
het getal 14, vier meer dan tien
telwoord
Examples:
• Er waren veertien kinderen in de klas.
• Ze is veertien jaar oud.
het getal 15
telwoord
Examples:
• Ze is vijftien jaar oud.
• Er waren vijftien mensen aanwezig op de vergadering.
het getal 16, zes meer dan tien
telwoord
Examples:
• Ze werd zestien jaar oud op haar verjaardag.
• De bus vertrekt om zestien uur.
het getal 17, zeven meer dan tien
telwoord
Examples:
• Hij haalde zeventien punten in de wedstrijd.
• Er zijn zeventien landen lid van de organisatie.
het getal 18, acht meer dan tien
telwoord
Examples:
• Op achttien jaar mag je in Nederland stemmen.
• De trein heeft achttien wagons.
het getal 19, negen meer dan tien
telwoord
Examples:
• Ze is negentien jaar oud en studeert aan de universiteit.
• Het team heeft negentien spelers op de lijst staan.
het getal 20
telwoord
Examples:
• Ze is twintig jaar oud.
• Er waren twintig mensen aanwezig.