een groot voertuig voor openbaar personenvervoer
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze neemt elke dag de bus naar haar werk.
• De bus heeft vertraging.
een vervoermiddel dat bestaat uit wagons die over rails rijden en aangedreven worden door een locomotief
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze neemt elke dag de trein naar haar werk in Amsterdam.
• De trein had vertraging door werkzaamheden aan het spoor.
een huurauto met chauffeur die passagiers tegen betaling naar een bestemming brengt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze nam een taxi naar het vliegveld.
• Het is duur om altijd met de taxi te reizen.
een ondergronds of bovengronds spoorwegsysteem dat gebruikt wordt voor snel openbaar vervoer in steden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze nam de metro naar het centrum.
• Amsterdam heeft een uitgebreid metronetwerk.
een tweewielig voertuig dat door trappen wordt aangedreven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze fietst elke dag naar haar werk.
• Hij kocht een nieuwe fiets voor zijn verjaardag.
iemand die te voet gaat in het verkeer
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De voetganger wachtte geduldig tot het licht op groen sprong.
• Automobilisten moeten voetgangers voorrang geven op het zebrapad.
een gedeelte van de rijbaan met witte strepen waarover voetgangers de weg kunnen oversteken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Kinderen leren op school dat je altijd het zebrapad moet gebruiken bij het oversteken.
• De automobilist moest afremmen omdat een voetganger het zebrapad opliep.
een plek waar twee of meer wegen elkaar kruisen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bij het kruispunt stond een verkeerslicht dat het verkeer regelde.
• Er gebeuren veel ongelukken op dit drukke kruispunt in het centrum.
een brede autoweg met gescheiden rijbanen voor snel verkeer, zonder gelijkvloerse kruisingen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er stond een file van tien kilometer op de snelweg.
• De snelweg A2 verbindt Amsterdam met Maastricht.
het gezamenlijk rijden van voertuigen en lopen van voetgangers
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er staat veel verkeer op de snelweg.
• Het verkeer in de stad is druk.
een verhoogd pad langs de rijbaan bedoeld voor voetgangers
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Fietsen op de stoep is niet toegestaan en gevaarlijk voor voetgangers.
• De kinderen speelden krijgertje op de stoep voor hun huis.
een constructie die een oversteek mogelijk maakt over water, een weg of een kloof
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze fietste over de brug naar het centrum.
• De brug over de rivier is gesloten voor onderhoud.
een ondergrondse of door een berg geboorde doorgang voor verkeer of treinen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De auto reed door de lange tunnel onder de rivier.
• De nieuwe tunnel zal de reistijd aanzienlijk verkorten.
het bedrag dat betaald wordt voor een rit met een taxi, bus of ander vervoermiddel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ritprijs van het vliegveld naar het centrum was hoger dan verwacht.
• Je kunt de ritprijs vooraf berekenen via de app van de taxidienst.
een schematisch overzicht of plan met een tijdsindeling of structuur
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het werkschema werd aangepast door ziekte.
• Ze maakte een schema voor haar studie.
de weg die gevolgd wordt van A naar B
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Welke route neem jij naar het werk?
• De route door de bergen is gevaarlijk in de winter.
het wisselen van het ene vervoermiddel naar het andere tijdens een reis
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bij Utrecht Centraal moet je een overstap maken naar de intercity.
• De overstap in Amsterdam duurt maar vijf minuten.
een halteplaats voor treinen, bussen of metro
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik wacht op je bij het station.
• Het treinstation is vlak bij het centrum.
verhoogd vlak, perron, of digitale omgeving voor communicatie of diensten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De trein vertrekt van platform drie.
• Dit sociale mediaplatform heeft miljoenen gebruikers.
regelmatig reizen tussen woon- en werkplaats, meestal dagelijks
werkwoord
Examples:
• Hij forenst elke dag twee uur naar zijn werk in de stad.
• Veel mensen forensen met de trein om files te vermijden.