de vrouwelijke ouder van een kind
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Haar moeder werkt als lerares.
• Ze heeft een goede band met haar moeder.
de mannelijke ouder van een kind
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Haar vader werkt als ingenieur.
• Hij is een goede vader voor zijn kinderen.
een meisje of vrouw die dezelfde ouders heeft als een andere persoon
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn zus woont in Rotterdam.
• Ze heeft twee zussen en een broer.
een mannelijk familielid met dezelfde ouders
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn broer woont in Rotterdam.
• Ze heeft twee broers en een zus.
de vrouwelijke nakomeling van iemand
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een dochter van tien jaar.
• Haar dochter studeert aan de universiteit.
mannelijk kind
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een zoon van vijf jaar.
• De vader trots op zijn zoon.
de moeder van iemands vader of moeder
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn grootmoeder vertelt graag verhalen over vroeger.
• We gaan dit weekend op bezoek bij mijn grootmoeder.
de vader van iemands vader of moeder
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn grootvader heeft vroeger als timmerman gewerkt.
• De kinderen luisterden aandachtig naar het verhaal van hun grootvader.
de zuster van een ouder, of de vrouw van een oom
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn tante woont in Antwerpen.
• Ze belde haar tante op voor haar verjaardag.
de broer van een ouder; ook: vriendelijke aanduiding voor een oudere man
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn oom woont in Groningen.
• Oom Piet is altijd vrolijk en gul.
de zoon van een broer of zus; ook: het kind van een oom of tante
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn neef is acht jaar oud.
• Ze bezoekt haar neef elke zomer.
de dochter van een broer of zus; ook informeel voor een homoseksuele man
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Haar nicht studeerde in Leiden.
• Ze ging naar het huwelijk van haar nicht.
de man met wie iemand getrouwd is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mijn echtgenoot is vaak laat thuis van zijn werk.
• Ze ging op vakantie met haar echtgenoot.
volwassen vrouwelijk persoon
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er is een vrouw aan de deur.
• Zijn vrouw werkt als arts.
een vader of moeder
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Haar ouders wonen in Groningen.
• Als ouder wil je het beste voor je kinderen.
een jong menselijk wezen in de fase vóór de volwassenheid
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het kind speelt buiten in de tuin.
• Ze werkt als lerares voor kinderen.
een persoon die dezelfde ouders heeft als jij, dus een broer of een zus
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Heb je een broer of zus, of ben je een enig kind?
• Mijn broer of zus en ik gingen vroeger altijd samen naar school.
twee kinderen die tegelijk uit dezelfde moeder geboren zijn
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een tweeling gekregen: een jongen en een meisje.
• De tweeling ziet er precies hetzelfde uit.
een groep mensen die door bloedverwantschap of huwelijk met elkaar verbonden zijn
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze brengt de feestdagen door met haar familie.
• De hele familie was aanwezig bij de bruiloft.