Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. Family Members

Family Members

Family relationships and relatives

Basic
Everyday
moeder
/ˈmudər/

de vrouwelijke ouder van een kind

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Haar moeder werkt als lerares.

• Ze heeft een goede band met haar moeder.

vader
/ˈvaːdər/

de mannelijke ouder van een kind

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Haar vader werkt als ingenieur.

• Hij is een goede vader voor zijn kinderen.

zus
/zʏs/

een meisje of vrouw die dezelfde ouders heeft als een andere persoon

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Mijn zus woont in Rotterdam.

• Ze heeft twee zussen en een broer.

broer
/brur/

een mannelijk familielid met dezelfde ouders

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Mijn broer woont in Rotterdam.

• Ze heeft twee broers en een zus.

dochter
/ˈdɔxtər/

de vrouwelijke nakomeling van iemand

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze heeft een dochter van tien jaar.

• Haar dochter studeert aan de universiteit.

zoon
/zoːn/

mannelijk kind

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze heeft een zoon van vijf jaar.

• De vader trots op zijn zoon.

grootmoeder
/ˈɣroːtmuːdər/

de moeder van iemands vader of moeder

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Mijn grootmoeder vertelt graag verhalen over vroeger.

• We gaan dit weekend op bezoek bij mijn grootmoeder.

grootvader
/ˈɣroːtvaːdər/

de vader van iemands vader of moeder

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Mijn grootvader heeft vroeger als timmerman gewerkt.

• De kinderen luisterden aandachtig naar het verhaal van hun grootvader.

tante
/ˈtɑntə/

de zuster van een ouder, of de vrouw van een oom

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Mijn tante woont in Antwerpen.

• Ze belde haar tante op voor haar verjaardag.

oom
/oːm/

de broer van een ouder; ook: vriendelijke aanduiding voor een oudere man

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Mijn oom woont in Groningen.

• Oom Piet is altijd vrolijk en gul.

neef
/neːf/

de zoon van een broer of zus; ook: het kind van een oom of tante

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Mijn neef is acht jaar oud.

• Ze bezoekt haar neef elke zomer.

nicht
/nɪxt/

de dochter van een broer of zus; ook informeel voor een homoseksuele man

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Haar nicht studeerde in Leiden.

• Ze ging naar het huwelijk van haar nicht.

echtgenoot
/ˈɛxtxeːnoːt/

de man met wie iemand getrouwd is

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Mijn echtgenoot is vaak laat thuis van zijn werk.

• Ze ging op vakantie met haar echtgenoot.

vrouw
/vrʌuʋ/

volwassen vrouwelijk persoon

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Er is een vrouw aan de deur.

• Zijn vrouw werkt als arts.

ouder
/ˈʌudər/

een vader of moeder

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Haar ouders wonen in Groningen.

• Als ouder wil je het beste voor je kinderen.

kind
/kɪnt/

een jong menselijk wezen in de fase vóór de volwassenheid

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het kind speelt buiten in de tuin.

• Ze werkt als lerares voor kinderen.

broer of zus
/bruːr ɔf zʏs/

een persoon die dezelfde ouders heeft als jij, dus een broer of een zus

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Heb je een broer of zus, of ben je een enig kind?

• Mijn broer of zus en ik gingen vroeger altijd samen naar school.

tweeling
/ˈtʋeːlɪŋ/

twee kinderen die tegelijk uit dezelfde moeder geboren zijn

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze heeft een tweeling gekregen: een jongen en een meisje.

• De tweeling ziet er precies hetzelfde uit.

familie
/ˈfaːmili/

een groep mensen die door bloedverwantschap of huwelijk met elkaar verbonden zijn

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze brengt de feestdagen door met haar familie.

• De hele familie was aanwezig bij de bruiloft.