overigens; trekt de aandacht op een bijkomende opmerking
bijwoord
Examples:
• Trouwens, hoe gaat het met je?
• Hij is trouwens ook arts.
bijwoord dat een voorbeeld of illustratie van iets aanduidt
bijwoord
Examples:
• Er zijn veel mooie steden, bijvoorbeeld Amsterdam.
• Ze heeft veel hobby's, bijvoorbeeld schilderen en lezen.
bijwoord dat aangeeft dat iets in werkelijkheid of strikt genomen zo is, soms ter correctie
bijwoord
Examples:
• Dat is eigenlijk niet wat ik bedoelde.
• Eigenlijk heeft ze gelijk.
in de tussentijd; terwijl iets anders bezig is
bijwoord
Examples:
• Ze werkte hard en ondertussen maakte hij het eten klaar.
• Ondertussen is er al veel veranderd.
bijwoord dat aangeeft dat iets zonder vertraging of onmiddellijk plaatsvindt
bijwoord
Examples:
• Ze belde meteen terug.
• Doe het meteen, niet morgen.
onmiddellijk nadat; op het moment dat
voegwoord
Examples:
• Zodra hij thuiskwam, belde hij zijn moeder.
• Bel me zodra je het resultaat weet.
op zijn minst; althans
bijwoord
Examples:
• Er waren tenminste tien mensen aanwezig.
• Tenminste, dat dacht ik.
daarboven; bovendien; als extra punt
bijwoord
Examples:
• Het is een mooi huis en bovendien betaalbaar.
• Ze is slim en bovendien heel aardig.
geeft tegenstelling, nadruk of bevestiging aan
bijwoord
Examples:
• Ze wilde toch gaan, ondanks de regen.
• Je komt toch, hè?
bijwoord dat onzekerheid of mogelijkheid aanduidt
bijwoord
Examples:
• Misschien komt ze morgen.
• Dat is misschien een goed idee.
zeker geeft zekerheid of bevestiging aan
bijwoord
Examples:
• Ik ben er zeker van dat hij gelijk heeft.
• Ze komt zeker op het feest.
werkelijk, in feite; bevestigt iets
bijwoord
Examples:
• Ja, inderdaad, dat klopt.
• Ze was inderdaad aanwezig bij de vergadering.
in de hoop dat het zo is; naar men hoopt
bijwoord
Examples:
• Hopelijk wordt het morgen beter.
• Ze slaagt hopelijk voor haar examen.
uitdrukking van spijt of teleurstelling
tussenwerpsel
Examples:
• Helaas kan ik er niet bij zijn.
• Het feest gaat helaas niet door.
een gevoel van vreugde en tevredenheid ervarend; ook: gelukkigerwijs
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze is gelukkig met haar nieuwe leven.
• Gelukkig was er niemand gewond.
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat aangeeft dat iets hoogstwaarschijnlijk zal plaatsvinden
bijwoord
Examples:
• Ze komt waarschijnlijk morgen.
• Het is waarschijnlijk dat hij gelijk heeft.
bijwoord dat aangeeft dat iets na een lange periode of reeks van gebeurtenissen plaatsvindt
bijwoord
Examples:
• Uiteindelijk hebben ze toch besloten te trouwen.
• Ze is uiteindelijk geslaagd voor haar examen.
in de tussentijd; op dit moment al
bijwoord
Examples:
• Ze is inmiddels verhuisd naar een ander land.
• Inmiddels zijn er tien jaar verstreken.
ondanks dat; toch; niettemin
bijwoord
Examples:
• Het regende hard, maar ze gingen desondanks op pad.
• Hij had weinig geslapen, desondanks presteerde hij uitstekend.
bijwoord dat aangeeft dat iets nagenoeg of bijna het geval is maar niet helemaal
bijwoord
Examples:
• Ze is bijna klaar met haar scriptie.
• Het is bijna middernacht.