Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. Everyday Clothing

Everyday Clothing

Common clothing items worn daily

Basic
Everyday
overhemd
/ˈoːvərˌhɛmt/

een formeel kledingstuk voor het bovenlichaam met een kraag en knoopjes van voren

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij droeg een wit overhemd met een stropdas naar het sollicitatiegesprek.

• Ze streek zijn overhemd glad zodat het er netjes uitzag.

broek
/bruk/

een kledingstuk voor het onderlichaam met twee pijpen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij draagt een spijkerbroek.

• Ze kocht een nieuwe broek in de uitverkoop.

spijkerbroek
/ˈspɛikərˌbruk/

een broek gemaakt van spijkerstof, ook wel denim genaamd

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze droeg haar favoriete spijkerbroek met een eenvoudig t-shirt.

• Een spijkerbroek past bij bijna elk casual outfit.

jurk
/jʏrk/

een eendelig dameskleedingstuk dat het bovenlichaam en de benen bedekt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze droeg een rode jurk naar het gala.

• De jurk werd gemaakt door een bekende ontwerper.

rok
/rɔk/

een kledingstuk dat om de taille sluit en naar beneden hangt, gedragen door vrouwen of meisjes

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze droeg een blauwe rok tot net over de knie.

• In de zomer draagt ze liever een rok dan een broek.

jas
/jɑs/

een kledingstuk dat over andere kleding wordt gedragen ter bescherming tegen kou of regen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Doe je jas aan, het is koud buiten.

• Ze pakte haar jas van de kapstok.

trui
/trœɪ/

een gebreid of geweven kledingstuk voor het bovenlichaam

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze trok een warme trui aan.

• De trui was van wol gemaakt.

sokken
/ˈsɔkən/

korte kousen die om de voet en enkel worden gedragen, meestal onder schoenen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij trok warme wollen sokken aan voordat hij zijn laarzen aandeed.

• Ze had een paar sokken nodig want haar voeten waren koud.

schoenen
/ˈsxunən/

meervoud van schoen: beschermende omhulsels voor de voeten, gemaakt van leer of andere materialen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Trek je schoenen uit voordat je binnenkomt.

• Ze kocht nieuwe schoenen voor het feest.

laarzen
/ˈlaːrzən/

hoge schoenen die de enkel en vaak ook het onderbeen bedekken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze trok haar laarzen aan om door de regen te lopen.

• Hij had laarzen nodig voor het werk op de boerderij.

sneakers
/ˈsniːkərz/

comfortabele, sportieve schoenen met een zachte zool, ook geschikt voor dagelijks gebruik

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij droeg witte sneakers bij zijn spijkerbroek.

• Sneakers zijn populair bij jongeren vanwege hun comfort en stijl.

hoed
/hut/

een hoofddeksel met een vaste bol en vaak een rand rondom

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze zette een strooien hoed op om haar gezicht te beschermen tegen de zon.

• De cowboy in de film droeg altijd een grote bruine hoed.

sjaal
/ʃaːl/

een lang stuk stof dat om de nek of schouders wordt gedragen voor warmte of als accessoire

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze wikkelde een warme wollen sjaal om haar nek in de kou.

• Hij droeg een rode sjaal als accessoire bij zijn jas.

handschoenen
/ˈhɑntˌsxunən/

kledingstukken die de handen bedekken en warmhouden, met afzonderlijke vingers

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze trok haar handschoenen aan voordat ze naar buiten ging in de sneeuw.

• Hij vergat zijn handschoenen en zijn handen werden ijskoud op de fiets.

riem
/rim/

een strook leer of stof die om de taille wordt gedragen om een broek op zijn plek te houden

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij droeg een leren riem bij zijn spijkerbroek.

• Ze kocht een nieuwe riem omdat haar broek te los zat.

stropdas
/ˈstrɔpˌdɑs/

een smal stuk stof dat om de hals wordt gedragen en aan de voorkant van een overhemd hangt, als formeel accessoire

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij droeg een zijden stropdas bij zijn pak naar de bruiloft.

• Op het werk is een stropdas verplicht voor mannen in deze bank.

ondergoed
/ˈɔndərˌɣut/

kleding die direct op het lichaam wordt gedragen, onder andere kleren

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze deed het ondergoed apart in de was op een hoge temperatuur.

• Hij kocht nieuw ondergoed omdat zijn oude versleten was.

pyjama
/piːˈjaːmaː/

een losse broek en jasje die gedragen worden om in te slapen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze trekt elke avond haar pyjama aan voor het slapengaan.

• De kinderen kwamen in pyjama de trap af op kerstamorgen.

hoodie
/ˈhuːdi/

een trui of vest met een capuchon op de rug

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij deed zijn hoodie aan voordat hij ging joggen in het park.

• Ze droeg een oversized hoodie thuis als het koud was.