Common clothing items worn daily
19 wordsDutch (Netherlands)

/ˈoːvərˌhɛmt/
een formeel kledingstuk voor het bovenlichaam met een kraag en knoopjes van voren
zelfstandig naamwoord
Examples
/bruk/
een kledingstuk voor het onderlichaam met twee pijpen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈspɛikərˌbruk/
een broek gemaakt van spijkerstof, ook wel denim genaamd
zelfstandig naamwoord
Examples
/jʏrk/
een eendelig dameskleedingstuk dat het bovenlichaam en de benen bedekt
zelfstandig naamwoord
Examples
/rɔk/
een kledingstuk dat om de taille sluit en naar beneden hangt, gedragen door vrouwen of meisjes
zelfstandig naamwoord
Examples
/jɑs/
een kledingstuk dat over andere kleding wordt gedragen ter bescherming tegen kou of regen
zelfstandig naamwoord
Examples
/trœɪ/
een gebreid of geweven kledingstuk voor het bovenlichaam
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈsɔkən/
korte kousen die om de voet en enkel worden gedragen, meestal onder schoenen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈsxunən/
meervoud van schoen: beschermende omhulsels voor de voeten, gemaakt van leer of andere materialen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈlaːrzən/
hoge schoenen die de enkel en vaak ook het onderbeen bedekken
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈsniːkərz/
comfortabele, sportieve schoenen met een zachte zool, ook geschikt voor dagelijks gebruik
zelfstandig naamwoord
Examples
/hut/
een hoofddeksel met een vaste bol en vaak een rand rondom
zelfstandig naamwoord
Examples
/ʃaːl/
een lang stuk stof dat om de nek of schouders wordt gedragen voor warmte of als accessoire
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈhɑntˌsxunən/
kledingstukken die de handen bedekken en warmhouden, met afzonderlijke vingers
zelfstandig naamwoord
Examples
/rim/
een strook leer of stof die om de taille wordt gedragen om een broek op zijn plek te houden
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈstrɔpˌdɑs/
een smal stuk stof dat om de hals wordt gedragen en aan de voorkant van een overhemd hangt, als formeel accessoire
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɔndərˌɣut/
kleding die direct op het lichaam wordt gedragen, onder andere kleren
zelfstandig naamwoord
Examples
/piːˈjaːmaː/
een losse broek en jasje die gedragen worden om in te slapen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈhuːdi/
een trui of vest met een capuchon op de rug
zelfstandig naamwoord
Examples