Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. Everyday Clothing

Everyday Clothing

Common clothing items worn daily

19 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Basic
Topic
Everyday
Everyday Clothing

overhemd

/ˈoːvərˌhɛmt/

  1. een formeel kledingstuk voor het bovenlichaam met een kraag en knoopjes van voren

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij droeg een wit overhemd met een stropdas naar het sollicitatiegesprek.
    • Ze streek zijn overhemd glad zodat het er netjes uitzag.

broek

/bruk/

  1. een kledingstuk voor het onderlichaam met twee pijpen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij draagt een spijkerbroek.
    • Ze kocht een nieuwe broek in de uitverkoop.

spijkerbroek

/ˈspɛikərˌbruk/

  1. een broek gemaakt van spijkerstof, ook wel denim genaamd

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze droeg haar favoriete spijkerbroek met een eenvoudig t-shirt.
    • Een spijkerbroek past bij bijna elk casual outfit.

jurk

/jʏrk/

  1. een eendelig dameskleedingstuk dat het bovenlichaam en de benen bedekt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze droeg een rode jurk naar het gala.
    • De jurk werd gemaakt door een bekende ontwerper.

rok

/rɔk/

  1. een kledingstuk dat om de taille sluit en naar beneden hangt, gedragen door vrouwen of meisjes

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze droeg een blauwe rok tot net over de knie.
    • In de zomer draagt ze liever een rok dan een broek.

jas

/jɑs/

  1. een kledingstuk dat over andere kleding wordt gedragen ter bescherming tegen kou of regen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Doe je jas aan, het is koud buiten.
    • Ze pakte haar jas van de kapstok.

trui

/trœɪ/

  1. een gebreid of geweven kledingstuk voor het bovenlichaam

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze trok een warme trui aan.
    • De trui was van wol gemaakt.

sokken

/ˈsɔkən/

  1. korte kousen die om de voet en enkel worden gedragen, meestal onder schoenen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij trok warme wollen sokken aan voordat hij zijn laarzen aandeed.
    • Ze had een paar sokken nodig want haar voeten waren koud.

schoenen

/ˈsxunən/

  1. meervoud van schoen: beschermende omhulsels voor de voeten, gemaakt van leer of andere materialen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Trek je schoenen uit voordat je binnenkomt.
    • Ze kocht nieuwe schoenen voor het feest.

laarzen

/ˈlaːrzən/

  1. hoge schoenen die de enkel en vaak ook het onderbeen bedekken

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze trok haar laarzen aan om door de regen te lopen.
    • Hij had laarzen nodig voor het werk op de boerderij.

sneakers

/ˈsniːkərz/

  1. comfortabele, sportieve schoenen met een zachte zool, ook geschikt voor dagelijks gebruik

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij droeg witte sneakers bij zijn spijkerbroek.
    • Sneakers zijn populair bij jongeren vanwege hun comfort en stijl.

hoed

/hut/

  1. een hoofddeksel met een vaste bol en vaak een rand rondom

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze zette een strooien hoed op om haar gezicht te beschermen tegen de zon.
    • De cowboy in de film droeg altijd een grote bruine hoed.

sjaal

/ʃaːl/

  1. een lang stuk stof dat om de nek of schouders wordt gedragen voor warmte of als accessoire

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze wikkelde een warme wollen sjaal om haar nek in de kou.
    • Hij droeg een rode sjaal als accessoire bij zijn jas.

handschoenen

/ˈhɑntˌsxunən/

  1. kledingstukken die de handen bedekken en warmhouden, met afzonderlijke vingers

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze trok haar handschoenen aan voordat ze naar buiten ging in de sneeuw.
    • Hij vergat zijn handschoenen en zijn handen werden ijskoud op de fiets.

riem

/rim/

  1. een strook leer of stof die om de taille wordt gedragen om een broek op zijn plek te houden

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij droeg een leren riem bij zijn spijkerbroek.
    • Ze kocht een nieuwe riem omdat haar broek te los zat.

stropdas

/ˈstrɔpˌdɑs/

  1. een smal stuk stof dat om de hals wordt gedragen en aan de voorkant van een overhemd hangt, als formeel accessoire

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij droeg een zijden stropdas bij zijn pak naar de bruiloft.
    • Op het werk is een stropdas verplicht voor mannen in deze bank.

ondergoed

/ˈɔndərˌɣut/

  1. kleding die direct op het lichaam wordt gedragen, onder andere kleren

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze deed het ondergoed apart in de was op een hoge temperatuur.
    • Hij kocht nieuw ondergoed omdat zijn oude versleten was.

pyjama

/piːˈjaːmaː/

  1. een losse broek en jasje die gedragen worden om in te slapen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze trekt elke avond haar pyjama aan voor het slapengaan.
    • De kinderen kwamen in pyjama de trap af op kerstamorgen.

hoodie

/ˈhuːdi/

  1. een trui of vest met een capuchon op de rug

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij deed zijn hoodie aan voordat hij ging joggen in het park.
    • Ze droeg een oversized hoodie thuis als het koud was.