Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Nature
  3. Environment & Climate

Environment & Climate

Environmental and climate vocabulary

20 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Advanced
Topic
Nature
Environment & Climate

klimaat

/ˈklimaːt/

  1. de gemiddelde weersomstandigheden in een bepaald gebied over een langere periode

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Het klimaat in Nederland is gematigd.
    • Klimaatverandering is een groot probleem.

milieu

/ˈmiliyː/

  1. de natuurlijke omgeving; ook: het sociale milieu

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • We moeten het milieu beschermen.
    • Ze groeide op in een artistiek milieu.

natuur

/ˈnaːtyːr/

  1. de wereld van planten, dieren, landschappen en andere verschijnselen die niet door mensen gemaakt zijn

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze houdt ervan om te wandelen in de natuur.
    • We moeten de natuur beschermen voor toekomstige generaties.

lucht

/lʏxt/

  1. het gasmengsel dat de aarde omhult; ook: de zichtbare hemel

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De lucht is vandaag helder blauw.
    • Er zit een vreemde lucht in de kamer.

water

/ˈʋaːtər/

  1. een kleurloze, reukloze vloeistof die essentieel is voor alle levende organismen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Drink genoeg water per dag.
    • Het water in de rivier is koud.

bodem

/ˈboːdəm/

  1. de onderste laag van de aarde, of het laagste deel van een ruimte

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De bodem is vruchtbaar voor landbouw.
    • Het glas viel op de bodem van de tas.

energie

/ˈeːnɛrxi/

  1. het vermogen om arbeid te verrichten; ook: vitaliteit

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze heeft veel energie na haar vakantie.
    • Zonne-energie is een duurzame energiebron.

wind

/ʋɪnt/

  1. bewegende lucht in de atmosfeer

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Er staat een harde wind vandaag.
    • De wind blaast de bladeren van de bomen.

zon

/zɔn/

  1. de ster in het middelpunt van ons zonnestelsel

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De zon schijnt vandaag volop.
    • In de zomer gaat de zon laat onder.

temperatuur

/ˈtɛmpeːraːtyːr/

  1. de mate van warmte of koude, uitgedrukt in graden

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De temperatuur buiten is vijf graden.
    • Ze meten de temperatuur van het water.

storm

/stɔrm/

  1. een hevige periode van wind en regen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Er komt morgen een zware storm aan.
    • De storm veroorzaakte veel schade.

overstroming

/ˌoːvərˈstroːmɪŋ/

  1. het onderlopen van normaal droog land door een overvloed aan water

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De overstroming na de hevige regenval verwoestte tientallen huizen.
    • De bewoners werden geëvacueerd vanwege de naderende overstroming.

brand

/brɑnt/

  1. een ongecontroleerd vuur dat schade veroorzaakt; ook: het element vuur

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Er brak een brand uit in het gebouw.
    • De brand werd snel geblust door de brandweer.

ramp

/rɑmp/

  1. een grote calamiteit of noodlottige gebeurtenis die veel schade of slachtoffers veroorzaakt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De vliegtuigramp kostte honderden mensen het leven.
    • De overstroming was een ecologische ramp voor het gebied.

gevaar

/ˈxeːvaːr/

  1. een situatie of omstandigheid die schade, letsel of verlies kan veroorzaken

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Roken brengt ernstig gevaar voor de gezondheid met zich mee.
    • Ze liep gevaar door de gladde ijsvloer.

bedreigd

/ˈbɛdrɛixt/

  1. in gevaar gebracht of met uitsterving bedreigd, vaak gezegd van diersoorten

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • De bedreigde diersoorten moeten beschermd worden.
    • Hij voelde zich bedreigd door de aanwezigheid van de vreemdeling.

beschermd

/ˈbeːsxərmt/

  1. beveiligd of onder bescherming gesteld, zodat schade of bedreiging wordt voorkomen

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • De getuige werd beschermd door de politie.
    • Het oude kasteel is nu een beschermd monument.

droogte

/ˈdroːxtə/

  1. een langdurige periode met abnormaal weinig neerslag, waardoor watertekort ontstaat

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De ernstige droogte verwoestte de oogst van de boeren dit jaar.
    • Door de langdurige droogte stond het meer bijna droog.

duurzaamheid

/ˈdyːrzaːmhɛɪt/

  1. het vermogen om aan de behoeften van het heden te voldoen zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties in gevaar te brengen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Duurzaamheid staat centraal in het milieudebat.
    • Ze koopt bewust producten die bijdragen aan duurzaamheid.

brandstof

/ˈbrɑndstɔf/

  1. een stof die verbrand wordt om energie op te wekken, zoals benzine, diesel of gas

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De auto heeft bijna geen brandstof meer.
    • Fossiele brandstof is schadelijk voor het milieu.