Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. Daily Routine

Daily Routine

Morning to bedtime routine vocabulary

20 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Basic
Topic
Everyday
Daily Routine

wakker worden

/ˈʋɑkər ˈʋɔrdən/

  1. uit de slaap komen en bewust worden van de omgeving

    werkwoord

    Examples

    • Ik word elke ochtend om zeven uur wakker.
    • Ze werd wakker van het geluid van de wekker.

zich aankleden

/zɪx ˈaːnkledən/

  1. kleren aantrekken om jezelf te kleden

    werkwoord

    Examples

    • De kinderen kleden zich aan voordat ze naar school gaan.
    • Hij kleedde zich snel aan omdat hij te laat was.

tanden poetsen

/ˈtɑndən ˈputsən/

  1. de tanden schoonmaken met een tandenborstel en tandpasta

    werkwoord

    Examples

    • Je moet twee keer per dag je tanden poetsen.
    • De kinderen poetsen hun tanden voor het slapengaan.

douchen

/ˈduʃən/

  1. jezelf wassen onder een douche met stromend water

    werkwoord

    Examples

    • Ik douche elke ochtend voor het ontbijt.
    • Na het sporten doucht hij altijd uitgebreid.

ontbijten

/ɔntˈbɛitən/

  1. de eerste maaltijd van de dag eten in de ochtend

    werkwoord

    Examples

    • We ontbijten altijd samen als gezin.
    • Ze ontbeet met een boterham en een kop koffie.

forensen

/foːˈrɛnsən/

  1. regelmatig reizen tussen woon- en werkplaats, meestal dagelijks

    werkwoord

    Examples

    • Hij forenst elke dag twee uur naar zijn werk in de stad.
    • Veel mensen forensen met de trein om files te vermijden.

lunchpauze

/ˈlʏntʃpauzə/

  1. de pauze tijdens de werkdag waarop men luncht

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Tijdens de lunchpauze eet ik altijd buiten.
    • De lunchpauze duurt bij ons bedrijf een half uur.

naar bed gaan

/naːr bɛt ˈɣaːn/

  1. zich terugtrekken om te slapen, meestal 's avonds

    werkwoord

    Examples

    • De kinderen gaan om acht uur naar bed.
    • Ik ga vroeg naar bed omdat ik morgen vroeg moet opstaan.

wekker

/ˈʋɛkər/

  1. een apparaat dat op een ingesteld tijdstip een alarm laat klinken om iemand te wekken

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ik zet mijn wekker altijd op kwart voor zeven.
    • De wekker ging af maar hij sliep er doorheen.

kussen

/ˈkʏsə(n)/

  1. een zacht, gevuld voorwerp om het hoofd op te leggen bij het slapen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze viel in slaap op haar zachte kussen.
    • Hij had een extra kussen nodig om comfortabel te slapen.

pyjama

/piːˈjaːmaː/

  1. een losse broek en jasje die gedragen worden om in te slapen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze trekt elke avond haar pyjama aan voor het slapengaan.
    • De kinderen kwamen in pyjama de trap af op kerstamorgen.

tandenborstel

/ˈtɑndənbɔrstəl/

  1. een klein borsteltje op een steel dat gebruikt wordt om tanden te poetsen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Mijn tandenborstel is toe aan vervanging na drie maanden.
    • Ze kocht een elektrische tandenborstel bij de drogist.

tandpasta

/ˈtɑntˌpɑstaː/

  1. een pasta die samen met een tandenborstel wordt gebruikt om tanden te reinigen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij knijpt altijd te veel tandpasta op zijn tandenborstel.
    • Deze tandpasta bevat fluoride voor sterke tanden.

shampoo

/ʃɑmˈpuː/

  1. een vloeibaar wasmiddel dat gebruikt wordt om haar te reinigen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze gebruikt een shampoo speciaal voor droog haar.
    • Vergeet niet de shampoo goed uit te spoelen.

handdoek

/ˈhɑnduk/

  1. een stuk absorberend stof om het lichaam mee af te drogen na het wassen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Na het douchen droogde hij zich af met een schone handdoek.
    • Ze hing de natte handdoeken te drogen op het balkon.

zeep

/zeːp/

  1. een reinigingsmiddel in vaste of vloeibare vorm dat gebruikt wordt om handen en lichaam te wassen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Was je handen altijd goed met zeep en water.
    • De zeep rook naar lavendel en was heel zacht voor de huid.

badjas

/ˈbɑtjɑs/

  1. een lang absorberend kledingstuk dat na het douchen of baden gedragen wordt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze trok haar badjas aan en liep naar de keuken voor een kop thee.
    • In het hotel hing er een witte badjas aan de deur van de badkamer.

pantoffels

/pɑnˈtɔfəls/

  1. zachte, gemakkelijke schoenen die binnenshuis gedragen worden

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij schuifelt elke ochtend in zijn pantoffels naar de keuken.
    • Ze kreeg een paar warme pantoffels voor haar verjaardag.

dutje

/ˈdʏtjə/

  1. een korte slaap overdag, meestal om uit te rusten

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Na de lunch deed hij altijd een dutje van twintig minuten.
    • Een kort dutje in de middag geeft haar nieuwe energie voor de rest van de dag.

bedtijd

/ˈbɛttɛit/

  1. het tijdstip waarop iemand gewoonlijk naar bed gaat

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Negen uur is de vaste bedtijd voor de kinderen.
    • Ze houdt zich strikt aan haar bedtijd om genoeg slaap te krijgen.