de kleur van bloed en rijpe tomaten; aan het rode einde van het kleurenspectrum
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze droeg een rode jurk naar het feest.
• Het stoplicht staat op rood.
de kleur van een heldere hemel of water
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze draagt een blauwe jurk.
• De lucht is mooi blauw vandaag.
de kleur van gras en bladeren; ook: milieuvriendelijk
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De bomen zijn in de lente weer mooi groen.
• Ze rijdt een groene auto die op elektriciteit rijdt.
de kleur van rijp koren of de zon, tussen groen en oranje in het kleurspectrum
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De bloemen zijn geel.
• Hij draagt een geel shirt.
de kleur die tussen geel en rood ligt; ook: het Nederlandse voetbalteam
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze droeg een oranje shirt tijdens de Koningsdag.
• Oranje is de nationale kleur van Nederland.
de kleur die ontstaat door rood en blauw te mengen, zoals lavendel of viooltjes
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze had een paarse sjaal om haar nek geslagen.
• De lavendelvelden zijn in de zomer prachtig paars.
een zachte kleur die tussen rood en wit ligt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze droeg een mooie roze jurk.
• De lucht kleurde roze bij zonsondergang.
de donkerste kleur, afwezigheid van licht
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze draagt vaak zwarte kleren.
• De kat is zwart met witte vlekken.
de kleur van sneeuw of melk; het lichtste spectrum van kleuren
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze droeg een wit jurk op haar trouwdag.
• De muren zijn wit geschilderd.
een kleur tussen zwart en wit; de kleur van as of bewolkte lucht
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De lucht was grijs en bewolkt.
• Hij heeft al grijs haar op zijn veertigste.
de kleur van chocolade, koffie of aarde; een mengsel van rood, geel en zwart
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft bruin haar.
• De herfstbladeren zijn bruin.
een kostbaar geel edelmetaal; ook een eerste prijs of goudkleurig
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze won een gouden medaille.
• Goud is duurder dan zilver.
een glanzend wit edel metaal met het symbool Ag, gebruikt voor sieraden, bestek en munten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze droeg een zilveren ketting.
• Het bestek is van echt zilver.
een blauwgroene kleur, vergelijkbaar met de edelsteen van dezelfde naam
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het water van de lagune had een prachtige turquoise kleur.
• Ze kocht een turquoise badpak voor haar vakantie.
een diepe, donkere tint van rood, vergelijkbaar met de kleur van bordeauxwijn
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Hij droeg een donkerrood overhemd bij zijn zwarte broek.
• De herfstbladeren verkleurden tot een prachtig donkerrood.
een donkerblauwe kleur, vergelijkbaar met de kleur van marinekleding; ook: de oorlogsvloot van een land
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze droeg een marineblauw jasje bij haar witte broek.
• Het uniformhemd was marine van kleur.
een lichte, geelachtig bruine kleur, zoals ongebleekte wol of zand
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De muren van de kamer waren geverfd in een warme beige tint.
• Ze droeg een beige regenjas over haar jurk.
een warme, oranjeroze kleur, vergelijkbaar met de kleur van koraalrif
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze droeg een koraalgekleurde blouse die goed stond bij haar huidskleur.
• De zonsondergang kleurde de hemel in tinten oranje en koraal.
een geurende plant met paarse bloemen, ook gebruikt als naam voor de lichtpaarse kleur
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De tuin stond vol met bloeiende lavendel.
• Ze koos lavendel als de kleur voor de slaapkamermuren.
een gebroken witte kleur met een licht gele of crèmige tint, vergelijkbaar met ivoor
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De bruid droeg een ivoorwitte jurk.
• De muren waren geschilderd in een warme, ivoorwitte tint.