een arts of geneeskundige die zieken onderzoekt en behandelt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze ging naar de dokter voor haar hoofdpijn.
• De dokter schreef een recept voor haar uit.
een zorgverlener die patiënten verpleegt en medische zorg verleent
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De verpleegkundige meet elke ochtend de bloeddruk van de patiënten.
• Ze werkt als verpleegkundige op de spoedeisende hulp.
iemand die medische zorg of behandeling ontvangt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De patiënt wacht op de resultaten van zijn onderzoek.
• De dokter behandelt zijn patiënten vriendelijk.
een overeenkomst of regeling om op een bepaalde tijd ergens te zijn of iets te doen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik heb een afspraak bij de dokter om drie uur.
• Ze hield zich altijd aan haar afspraken.
een lichamelijk of geestelijk verschijnsel dat op een ziekte of aandoening wijst
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Koorts is een veelvoorkomend symptoom van een griep.
• De arts vroeg welke symptomen hij had voordat hij naar het ziekenhuis ging.
de vaststelling van een ziekte of aandoening op basis van klachten en onderzoek
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De arts stelde de diagnose diabetes na een bloedonderzoek.
• Een vroege diagnose vergroot de kans op herstel aanzienlijk.
een schriftelijk voorschrift van een arts voor medicijnen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De dokter schreef een recept voor antibiotica.
• Ze haalde het recept op bij de apotheek.
de wetenschap die zich bezighoudt met het voorkomen, diagnosticeren en behandelen van ziekten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij studeert geneeskunde aan de universiteit van Amsterdam.
• De moderne geneeskunde heeft de levensverwachting sterk verhoogd.
een biologisch preparaat dat het immuunsysteem stimuleert om bescherming te bieden tegen een infectieziekte
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het vaccin tegen griep is elk jaar beschikbaar in de apotheek.
• Dankzij een effectief vaccin werd pokken wereldwijd uitgeroeid.
een verhoogde lichaamstemperatuur als reactie van het lichaam op een infectie of ziekte
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het kind had hoge koorts en moest thuisblijven van school.
• Bij een temperatuur boven de 38 graden spreekt men van koorts.
een pijnlijk gevoel in het hoofd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik heb de hele dag hoofdpijn gehad.
• Ze nam een aspirine tegen haar hoofdpijn.
een overgevoeligheidsreactie van het immuunsysteem op een bepaalde stof
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij heeft een allergie voor pinda's.
• De dokter stelde een allergie voor stuifmeel vast.
een strook gaas of doek die om een wond wordt gewikkeld ter bescherming en genezing
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De verpleegkundige legde een schoon verband om de wond.
• Hij moest elke dag een nieuw verband om zijn enkel.
het medisch vakgebied waarbij ziekten of verwondingen worden behandeld door middel van operaties
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Na het ongeluk was chirurgie noodzakelijk om zijn been te redden.
• Ze heeft haar specialisatie in de plastische chirurgie gedaan.
een afbeelding van de binnenkant van het lichaam gemaakt met röntgenstralen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De arts bekeek de röntgenfoto om te zien of het bot gebroken was.
• Op de röntgenfoto was duidelijk een schaduw op de long te zien.
de druk die het bloed uitoefent op de wanden van de bloedvaten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De verpleegkundige mat zijn bloeddruk met een manchet.
• Een te hoge bloeddruk vergroot het risico op hart- en vaatziekten.
een medisch instrument waarmee een arts inwendige lichaamsgeluiden zoals hartslag en ademhaling kan beluisteren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De arts hing de stethoscoop om zijn nek en begon het onderzoek.
• Met de stethoscoop luisterde ze naar de longen van de patiënt.
een instrument waarmee de temperatuur wordt gemeten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze stak de thermometer onder zijn tong om zijn temperatuur te meten.
• Volgens de thermometer buiten was het tien graden.
een voertuig ingericht voor het vervoer van zieken of gewonden naar een ziekenhuis
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ambulance arriveerde snel na het ongeluk.
• Hij belde 112 en vroeg om een ambulance.
een plotselinge gevaarlijke situatie die onmiddellijk ingrijpen vereist
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bij een noodgeval moet je meteen 112 bellen.
• De dokter bleef na sluitingstijd voor een medisch noodgeval.