een horecagelegenheid waar maaltijden worden geserveerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gingen vanavond uit eten in een restaurant.
• Het restaurant staat bekend om zijn visgerechten.
een lijst met gerechten en dranken die in een restaurant worden aangeboden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ober bracht ons het menu zodra we aan tafel zaten.
• Op het menu stonden veel vegetarische opties.
een verzoek aan een ober of winkel om iets te brengen of te leveren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ober noteerde onze bestelling zorgvuldig in zijn bloknotitieboekje.
• Mijn bestelling was al onderweg toen ik het restaurant belde om iets te wijzigen.
iemand die in een restaurant bestellingen opneemt en eten en drinken serveert
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ober noteerde onze bestelling en liep terug naar de keuken.
• We moesten lang wachten voordat de ober naar ons tafeltje kwam.
een ondiepe, brede kom of serveerschotel waarop eten wordt gepresenteerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze zette de salade in een grote schaal op tafel.
• De ober bracht een schaal met voorgerechten.
een klein gerecht dat voor het hoofdgerecht wordt geserveerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Als voorgerecht namen we een soep en een salade.
• Het voorgerecht was zo groot dat we nauwelijks ruimte hadden voor het hoofdgerecht.
een zoet gerecht dat aan het einde van een maaltijd wordt geserveerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Als nagerecht kozen we voor chocolademousse en een bolletje ijs.
• Het nagerecht was verreweg het lekkerste deel van de maaltijd.
een overzicht van verschuldigde bedragen; ook: een bankrekening
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De rekening van het restaurant was hoger dan verwacht.
• Ze betaalt haar rekeningen altijd op tijd.
een klein stipje of markering; ook een onderdeel van een score of een onderwerp
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Zet een punt aan het einde van de zin.
• We scoren een punt.
een voorafgaande boeking van een tafel in een restaurant of een kamer in een hotel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik heb een reservering gemaakt voor twee personen om acht uur.
• Zonder reservering was er geen tafel meer vrij in het restaurant.
een meubel met een vlak horizontaal blad op poten, waaraan men eet, werkt of zit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze dekten de tafel voor het avondeten.
• Er lag een vaas bloemen op de tafel.
een vlak rond of ovaal voorwerp van keramiek of porselein waarop eten wordt geserveerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze at haar bord leeg voor ze opstond.
• De ober bracht een bord dampende soep.
een diep rond keuken- of eetgerei voor het bewaren of serveren van voedsel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze mengde de salade in een grote kom.
• Hij at zijn soep uit een diepe kom.
een bestek met een handvat en tanden, gebruikt om eten op te prikken en naar de mond te brengen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij pakte zijn vork en sneed een stuk vlees van zijn bord.
• Op tafel lagen een mes, een vork en een lepel klaargelegd.
een bestek met een handvat en een ronde holte, gebruikt om vloeibaar of zacht voedsel te scheppen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze roerde de soep door met een grote lepel.
• Het kind at zijn yoghurt met een kleine lepel.
een stukje stof of papier dat tijdens het eten wordt gebruikt om de mond en handen schoon te vegen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze depte haar lippen af met het linnen servet.
• Op elk bord lag een netjes gevouwen servet.
eten of drinken aan tafel brengen en presenteren
werkwoord
Examples:
• De ober diende het voorgerecht op een groot bord.
• In dit restaurant worden gerechten traditioneel op tafel gediend.
de hoeveelheid eten die aan één persoon wordt geserveerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De portie friet was zo groot dat ik hem niet op kon.
• Kun je een halve portie bestellen, want ik heb geen grote honger?
een horecagelegenheid waar men dranken en lichte maaltijden kan nuttigen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze spraken af in een gezellig café.
• Het café sluit om middernacht.
een kleine hoeveelheid eten die tussen de maaltijden door wordt gegeten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik nam een appel als snack tussen de middag en het avondeten.
• Hij kocht een snack bij de automaat in de gang.