de ruimte in een huis of restaurant waar voedsel bereid wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze is gek op koken in de keuken.
• De keuken is net gerenoveerd.
een kamer in een huis of appartement die wordt gebruikt om te slapen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het huis heeft drie slaapkamers.
• Ze richtte haar slaapkamer in met nieuwe meubels.
een ruimte in een woning met wasgelegenheid, doorgaans met bad of douche en wastafel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De badkamer is net gerenoveerd met nieuwe tegels.
• Ze staat elke ochtend twintig minuten in de badkamer.
de kamer in een huis waar mensen zitten, ontspannen en gasten ontvangen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De familie zat 's avonds samen in de woonkamer.
• Ze heeft de woonkamer opnieuw ingericht met nieuwe meubels.
een ruimte of gebouw voor het stallen van voertuigen; ook een bedrijf voor het repareren van auto's
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De auto staat in de garage.
• Hij bracht zijn auto naar de garage voor een grote beurt.
de ruimte direct onder het dak van een huis, vaak gebruikt als opbergplaats
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De oude koffers stonden al jaren op de zolder.
• Ze hebben de zolder verbouwd tot een extra slaapkamer.
een ondergrondse ruimte onder een gebouw
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bewaarden de wijn in de kelder.
• De kelder was donker en vochtig.
een overdekte buitenruimte aan de zijkant of voorkant van een huis
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op warme zomeravonden eten we graag op de veranda.
• Het huis had een ruime veranda met uitzicht op de tuin.
een smalle doorloop in een huis die kamers met elkaar verbindt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De gang leidt naar de slaapkamers.
• Hang je jas op in de gang.
een meubelstuk voor het opbergen van voorwerpen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft haar boeken in de kast gezet.
• De oude kast op zolder is nog steeds stevig.
het bovenste vlak van een kamer dat de wand aan de bovenkant afsluit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er zit een grote vochtplek op het plafond.
• Ze hingen een lamp aan het plafond.
het horizontale ondervlak van een ruimte waarop men loopt of staat
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vloer was pas gewassen.
• Ze liet het glas op de vloer vallen.
een verticale, opgebouwde structuur van steen, baksteen of beton die een ruimte afsluit of van een andere scheidt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze hing een schilderij aan de muur.
• De Berlijnse Muur viel in 1989.
het bovenste deel van een gebouw dat bescherming biedt tegen weersinvloeden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het dak lekt bij hevige regen.
• Ze zaten op het dak te genieten.
een opening in een muur, gevuld met glas, waardoor licht naar binnen kan vallen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze keek door het raam naar buiten.
• Open het raam, het is te warm hier.
een beweegbaar paneel dat een opening afsluit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Doe de deur dicht!
• Ze klopte op de deur voordat ze binnenkwam.
een constructie van treden die van de ene verdieping naar de andere leidt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Pas op bij de trap, hij is steil.
• Ze liep snel de trap op.
een verticale buis of koker in een gebouw die rook naar buiten afvoert
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er stijgt rook op uit de schoorsteen.
• De schoorsteen van het oude huis moest worden gerepareerd.
een omheining van metaal of hout die een erf of tuin afbakent
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het hek om de tuin was nieuw.
• Ze klom over het hek.
een stuk grond bij een huis of gebouw waar planten, bloemen of groenten worden gekweekt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij werkt elke zaterdag in de tuin.
• De tuin staat vol met rode rozen en lavendel.